Handleiding Drill Control

Controlepunten

 

Er zijn twee soorten controlepunten:

Intredepunt/uittredepunt

Controlepunt

Voor de verschillende ontwerpmethodes zijn één of meer van deze objecten noodzakelijk.

Methode:

Noodzakelijk:

Parametrisch

Minimaal intrede- of uittrede- of controlepunt

Doorlopend

Minimaal intrede- en uittredepunt

Polylijn

geen

Er mogen meerdere controlepunten geplaatst worden maar van een intrede- of uittredepunt kan er allebei maar één aanwezig zijn.

Een intredepunt wordt gebruikt om een boorlijn te laten beginnen. Een uittredepunt wordt gebruikt om een boorlijn te laten eindigen.

Controlepunten worden gebruikt om de boorlijn te dwingen een bepaalde diepte te geven. De boorlijn zal altijd door of onder de controlepunten komen te liggen.

 

Plaatsing

Een intrede- of uittredepunt kan zowel in het bovenaanzicht als in het zijaanzicht worden geplaatst.

 

Zodra de cursor in de begrenzing van het profielraster komt zal de preview overschakelen zodat in het zijaanzicht het punt gekozen kan worden:

Als een nieuwe intrede- of uittredepunt wordt geplaatst terwijl er al een aanwezig is dan wordt de vorige vervangen. Het is ook mogelijk om de huidige te verslepen, zowel in het bovenaanzicht als in het zijaanzicht. Het object hoeft niet exact op het maaiveld of het tracé teruggeplaatst te worden, Drill Control zal hier zelf voor zorgen.

Controlepunten kunnen alleen binnen een profielraster worden geplaatst. Naast een omschrijving kan ook een hoogtecorrectie worden opgegeven waarbij een negatieve waarde naar beneden is gericht. Zo kan een controlepunt op een exacte afstand onder een gekozen punt komen te liggen, bijvoorbeeld als de boring een bepaalde afstand onder een leiding of fundering door moet. Controlepunten mogen binnen een profielraster worden versleept als hun positie aangepast moet worden.

 


Drill Control v8.1

ARKANCE © 2024