Handleiding Drill Control

Invoergegevens

 

De gekozen methode bepaalt hoe de velddata ingevoerd kunnen worden.

 

Bij methode 'Pitch en diepte':

Let hierop dat elke opgenomen pitch en azimut horen bij het einde van elke boorstang. Om ook het startpunt van de boring op te nemen zal de eerste regel waarden moeten bevatten voor het intredepunt. Boorstanglengte van 0m en de intredehoek.

Pitchwaarden kunnen in graden of percentages zijn ingevoerd. Een default stanglengte kan hier worden opgegeven. Als deze niet uit de velddata blijkt, dan wordt deze waarde gebruikt.

Als een kolom 'Diepte' is aangegeven dan kan deze opname worden gebruikt om een maaiveld te genereren ten opzichte van de hartlijn boring, of een vergelijkingslijn van de boring worden uitgetekend. In het laatste geval zijn de dieptewaarden dan relatief ten opzichte van het intredepunt.

 

Bij methode 'Coördinaten':

Als er een kolom 'Diepte' is aangegeven dan kan deze opname worden gebruikt om een maaiveld of de hartlijn boring te berekenen. In het eerste geval wordt de kolom 'Hoogte' beschouwd als hoogte boorlijn, in het tweede geval als hoogte maaiveld.

Na het inlezen van coördinaten kan de lijst met data omgekeerd worden zodat de boring andersom verwerkt wordt.

 

Bij methode '3D polylijn':

De lijst is gevuld met de knikpunten van de 3D polylijn. Het is met deze methode niet mogelijk om een bestand in te lezen.

 

Bij methode 'Afstand en diepte':

 

Alle waarden kunnen in dit venster handmatig worden ingevoerd, als deze bijvoorbeeld overgenomen moeten worden van de handgeschreven velddata. Maar meestal komen de gegevens uit een digitaal bestand. In dat geval kan een voorgedefinieerd bestand worden geïmporteerd of uit kolomgescheiden data worden ingelezen.

 

Bestand openen

Met de aangegeven knop is het mogelijk om een bestand te openen:

Een dialoogvenster verschijnt en begint in de map die is ingesteld in de instellingen. Bij de beschikbare bestandstypes kan gekozen worden uit één van de ingestelde eigen formaten. Als de methode 'Pitch en diepte' is gekozen dan kan hier ook het voorgedefinieerde formaat 'Falcon F5 LWD export' worden geselecteerd.

Het te importeren bestand wordt volgens de opties in het eigen formaat indeling verwerkt en in de wizard weergegeven.

 

Bestand importeren

Met de aangegeven knop is het mogelijk om een bestand of data te importeren:

Een nieuw dialoogvenster verschijnt:

Met de knop 'Plakken' kan data vanaf het Windows Klembord worden geplakt. De applicatie bekijkt zelf wat het meest logische kolomscheidingsteken kan zijn en stelt deze in. Het is mogelijk om dit aan te passen.

Met de knop 'Openen' kan een willekeurig tekst- of Excelbestand worden geopend.

In de volgende stap kan per kolom worden aangegeven wat het voor gegeven is.

Eveneens kunnen de regels die niet ingelezen hoeven worden, uitgeschakeld worden door het vinkje in de eerste kolom uit te zetten. Het is mogelijk om eerst meerdere rijen te selecteren om in één keer het vinkje uit te zetten.

Afhankelijk van de gekozen methode zijn in deze stap de verschillende kolommen te kiezen. Sommige zijn noodzakelijk, andere zijn optioneel. Dit wordt aangegeven als de wizard wordt gesloten:

 

Nadat alle kolommen goed zijn ingesteld of het geselecteerde bestand correct is ingelezen zal de data in de wizard getoond worden. Hier zijn nog handmatige wijzigingen of verbeteringen mogelijk, zoals een regel verwijderen of toe te voegen en waarden aan te passen. Zodra de wizard wordt voltooid, zal een preview van het bovenaanzicht worden getoond en worden gevraagd om een invoegpunt te kiezen waar het profielraster wordt geplaatst.

Er wordt in ieder geval een hartlijn boring en een maaiveldlijn getekend. Als in de eerste stap is aangegeven dat het ontwerp geprojecteerd moet worden dan wordt het ontwerp als projectieprofiel in het profielraster geplaatst, in bovenstaand voorbeeld met de lichtrode lijn. Als uit de meetgegevens een maaiveld bepaald kan worden maar deze data niet is aangegeven als bron voor een maaiveldlijn, dan wordt een vergelijkingsmaaiveld geplaatst, in bovenstaand voorbeeld met een groene stippellijn. Daarnaast is het nog mogelijk bij de methode 'Pitch en diepte' om van de hartlijn een vergelijkingsprofiel te tekenen als er in de meetgegevens een dieptewaarde is opgegeven die relatief zijn gemeten ten opzichte van het intredepunt.

 

Aandachtspunten

De applicatie zal zelf zo goed mogelijk omgaan met een afwijkend decimaalteken, zoals een komma in plaats van een punt. Het is dus niet nodig om een tekstbestand eerst te bewerken.

Als tijdens de methode 'Coördinaten' wordt gekozen om Lat/Lon in te lezen dan is een ingesteld Coordinate System noodzakelijk.

Als tijdens de methode 'Pitch en diepte' pitchwaarden ontbreken dan zal de applicatie deze vereffenen tussen de bekende pitch voor en na de ontbrekende. Dit zal ook worden gemeld door de applicatie.

Als tijdens de methode 'Pitch en diepte' een kolom wordt aangemerkt als 'Geboorde lengte' dan worden deze waarden gebruikt om de boorstanglengte uit te berekenen. Deze berekening levert meestal een nauwkeuriger beeld dan een theoretisch ingevoerde boorstanglengte.

Dieptewaarden om een maaiveld of boorlijn te berekenen hoeven niet negatief ingevoerd te zijn. De applicatie kijkt zelf of de waarden als positief of negatief zijn ingevoerd.

Als in de meting een kolom 'Geboorde lengte' is gekozen dan worden de boorstanglengtes per regel automatisch berekend.

Als de laatste registratie bij de methode 'Pitch en diepte' hetzelfde is als de ingestelde standaard stanglengte dan wordt dit gemeld. De boorlijn kan dan bij het verwerken doorschieten door het werkelijke uittredepunt.

Als uit de coördinaten of geselecteerde lijn blijkt dat het pad langer of korter is dan uit de berekening van de registraties, dan wordt gevraagd of de meetgegevens gecorrigeerd moeten worden. De afstanden worden dan gecorrigeerd ten opzichte van het intredepunt en de diepten ten opzichte van een rechte lijn tussen intrede- en uittredehoogte.

 

 


Drill Control v8.1

ARKANCE © 2024